Werkgever aansprakelijk voor schade van meeroker

Door: Marilet Hollants - 23 februari 2010

De Hoge Raad heeft een werkgever aansprakelijk geacht voor schade die een werkneemster heeft geleden als gevolg van meeroken op de werkplek. In de tijd dat de schade werd opgelopen bestond nog geen rookverbod op de werkplek.
De hoogte van het schadevergoedingsbedrag zal nog nader vastgesteld moeten worden.

Feiten
Werkneemster was met ingang van 1 oktober 1999 in dienst getreden van een medische kliniek. Zij was werkzaam als secretaresse van een gastro-enteroloog. Werkneemster leed vóór indiensttreding aan astma op basis van hyperreactiviteit. De werkgever/arts was, evenals zijn collega, een stevige roker.
De secretaresse werkte in een secretaresseruimte, waar niet gerookt werd. Wel werd in de werkkamers van de artsen, waar werkneemster regelmatig moest zijn, gerookt. Een arts kwam soms ook met brandende sigaret even naar het secretariaat. De toegangsdeur naar de secretaresseruimte vanuit de werkkamer, waar gerookt werd, stond ook regelmatig open.
Op 1 juli 2000 is werkneemster uitgevallen met hardnekkige benauwdheidsklachten. Daarna is werkneemster tot driemaal toe opgenomen geweest vanwege ademhalingsproblemen. Vanaf 3 juli 2001 is werkneemster volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. Na twee jaar het loon doorbetaald te hebben, heeft de kliniek de werkneemster het dienstverband per 1 april 2003 beëindigd.
De werkneemster stelt vervolgens de kliniek aansprakelijk voor de schade, en als deze niet wordt erkend, wendt zij zich tot de rechter.

Uitspraak
De werkneemster baseert haar vordering op schending van de op de werkgever rustende zorgplicht zoals opgenomen in artikel 7:658 BW. Omdat de kliniek de artsen niet heeft opgedragen het roken te stoppen en daarnaast heeft nagelaten zodanige maatregelen te treffen dat werkneemster geen overlast van het roken ondervond, is werkneemster van mening dat de kliniek niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Tevens stelt werkneemster dat de kliniek in strijd heeft gehandeld met artikel 3, lid 1 onder a van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de Tabakswet.

De rechtbank wijst de vordering van werkneemster volledig toe. De zaak wordt daarna behandeld door het gerechtshof. Daar wordt een deskundige gehoord die verklaart dat het niet zeker is dat de verergering van de klachten door de sigarettenrook werd veroorzaakt. De deskundige acht het aannemelijk dat de klachten van een astmapatiënt, die in de regel al een wisselend beloop hebben, ook erger hadden kunnen worden als de werkneemster niet aan de rook was blootgesteld. Hierdoor komt het gerechtshof tot de conclusie dat de kliniek voor 50% aansprakelijk was voor de schade die de werkneemster "heeft geleden, lijdt en nog zal lijden".

De kliniek tekende vervolgens cassatie aan bij de Hoge Raad omdat zij van mening is dat astma een chronische aandoening is met een wisselend beloop en dat de verergering van de gezondheidsklachten niet het gevolg was van de blootstelling aan tabaksrook, maar door (het verloop van) de ziekte zelf werden veroorzaakt. Tevens is de kliniek het niet eens met aansprakelijkheid voor de schade die de werkneemster zou hebben geleden en nog zou lijden na maart 2002, de datum waarop blootstelling aan sigarettenrook bij de kliniek tot een einde was gekomen.

De Hoge Raad, die uitgaat van dezelfde feiten, deskundigenrapportages en deskundigenbevindingen waarop het gerechtshof zijn beslissing had gebaseerd, ziet geen reden om af te wijken van die beslissing. Het cassatieberoep van de kliniek is dan ook verworpen. De hoogte van de schadevergoeding zal in onderhandelingen dan wel in een nieuwe procedure vastgesteld worden.

Meer hierover weten van een advocaat arbeidsrecht in Tilburg?

Bron: Bron: Hoge Raad , 9 januari 2009, LJN: BG4014