Europees Hof over de rechtspositie van gedetacheerde werknemers bij overnames

4 november 2010

Het Europees Hof van Justitie heeft zich uitgesproken over de rechtspositie van cateringwerknemers in dienst van een personeelsvennootschap en gedetacheerd bij een werkmaatschappij, nadat de cateringactiviteiten door die werkmaatschappij waren overgedragen aan een ander bedrijf. Het Hof beantwoordde daarmee vragen die het Gerechtshof Amsterdam had voorgelegd in die casus.

Casus
Alle werknemers binnen een concern zijn in dienst bij een personeelsvennootschap, en van daaruit gedetacheerd bij diverse werkmaatschappijen. Zo waren ongeveer 70 cateringwerknemers gedetacheerd bij een werkmaatschappij, die de werknemers op diverse locaties in de catering tewerk stelden. In 2005 heeft de werkmaatschappij de cateringactiviteiten krachtens een overeenkomst overgedragen (uitbesteed) aan een ander bedrijf. De vraag was of de cateringwerknemers op grond van de regels van overgang van onderneming van rechtswege in dienst waren gekomen van dat andere bedrijf, op grond waarvan de werknemers dan hun rechten hadden behouden. De Kantonrechter vond van wel, maar het overnemende bedrijf ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, stellende dat men een overname-overeenkomst was aangegaan met de werkmaatschappij en niet met de formele werkgever van de cateringwerknemers. Het Hof wilde, alvorens uitspraak te doen, nadere uitleg over de regeling omtrent overgang van onderneming, die is gebaseerd op een Europese Richtlijn.

Antwoorden Europees Hof
Het Europees Hof stelt dat van belang is of de zogenaamde niet-contractuele werkgever (de werkmaatschappij dus) gezien kan worden als ‘vervreemder' in de zin van de Europese Richtijn 2001/23. De tekst van de richtlijn, die werknemers bescherming biedt bij verandering van ondernemer, vereist niet in alle omstandigheden een arbeidsovereenkomst tussen werknemers en de ‘vervreemder' die wel een gelijksoortige ‘arbeidsbetrekking' heeft ten aanzien van die werknemers. Er kan dus sprake zijn van een formele werkgever en een niet-contractuele werkgever binnen een concern, en de Richtlijn bepaalt nergens dat de eerste moet prevaleren boven de laatste. In de onderhavige zaak staat Richtlijn 2001/23 er dus niet aan in de weg dat de werkmaatschappij, waarbij de werknemers permanent zijn tewerkgesteld eveneens beschouwd kan worden als een ‘vervreemder' in de zin van de richtlijn. De werknemers van de werkmaatschappij genoten in casu daarom bescherming op grond van de Richtlijn bij overgang van onderneming. Zij zijn van rechtswege overgegaan naar het andere bedrijf, met behoud van hun loon, en dergelijke. Het verzoek van het overnemende bedrijf om geen terugwerkende kracht te verlenen aan de uitspraak, heeft het Europese Hof afgewezen.

Reikwijdte uitspraak Europees Hof
In deze zaak ging het om permanente detachering, en bovendien betrof het detachering binnen een concern, vanuit een personeelsvennootschap (centrale werkgever) naar een werkmaatschappij. Onduidelijk is nog of deze uitspraak zonder meer kan worden toegepast in gevallen waarbij er geen sprake is van een duurzame detachering en/of detachering plaatsvindt bij een geheel ander bedrijf.

Meer hierover weten van een advocaat arbeidsrecht in Tilburg?

Bron: Europees Hof van Justitie, 21 oktober 2010, zaaknr. C-242/09